Het Camembert-doosje (vervolg en slot)

Dit is een vervolg op: Het Camembert-doosje (eerste deel).

Toen we nog geen jaar geleden aarzelend overwogen om ons huis in Les Quatre Vents te gaan verkopen en – na bijna veertig jaar – langzamerhand uit de Morvan te vertrekken, rees de vraag: wat doen we met het Camembert-doosje dat we indertijd, tijdens een restauratie achter een ‘poutre’ verstopt, vonden. Het bevond zich in een vertrek dat in latere tijden tegen het oorspronkelijke huis was gebouwd.
We besloten het te laten afhangen van degenen die de nieuwe eigenaars van ons huis zouden worden. Hier en daar hadden we wel eens laten doorschemeren dat het, zo tussen nu en drie jaar, wel eens tijd werd om te vertrekken. We hadden alle tijd. Daarom kwam er ook geen bord in de tuin en schakelden we geen makelaar in. We zouden wel zien wie er op ons pad kwam.
Nu, we hebben het gezien. Voordat we er erg in hadden, meldden zich drie gegadigden. Dat was schrikken. De eerste belangstellenden kwamen kijken en het was meteen raak. Voor de bühne bekeken ze nog een enkel ander pand in de omgeving, maar de beslissing was eigenlijk al gevallen: of jullie huis, of anders niets.
Ze vonden ons huis uniek, niet alleen vanwege het schitterende, onbelemmerde uitzicht op de zuidelijke heuvels van de Morvan, zoals de Mont Beuvray, 40 kilometer verderop, maar tevens de weelde van de onzichtbaarheid van de weg (zowel openheid als beslotenheid – wat wil je nog meer…). Ze roemden de rust in de nabije omgeving, maar vooral het feit dat we ons huis, op enkele discrete ingrepen na, in de oorspronkelijke staat gelaten hadden – we hadden de stijl van de Morvan gerespecteerd. Bovendien, vonden ze, had ons huis een ‘ziel’. Dat was erg belangrijk voor hen. Het was voor ons bijzonder om te ervaren hoe anderen de juiste woorden konden vinden om te omschrijven wat wij er in de loop der jaren hadden ingelegd.
Intussen diende zich nog een vierde gegadigde aan, maar we hadden besloten pas met anderen in zee te gaan als het met het eerste koppel financieel niet lukte om tot een overeenkomst te komen. Nu was het bijzonder dat wij in die eerste fase, die ons dus eigenlijk wat overviel, nog geen idee hadden wat we moesten vragen. We konden dus geen prijs noemen. Gelukkig vroegen zij ook nergens naar. Heel onzakelijk allemaal, vond iedereen, maar de doorslag gaf de ‘click’ en de wetenschap dat dit geheel wederzijds was. Van beide zijden voelde het onderlinge contact goed en dat was blijkbaar van meer gewicht dan op dat moment al over de prijs te gaan onderhandelen. Toen het voor ons duidelijk was dat wij ons ‘bezielde’ huis alleen wilden overdragen aan mensen die gevoelig waren voor die ‘ziel’, lieten we een taxateur komen. Op grond van zijn taxatie bepaalden wij de prijs en zonder al te veel gemarchandeer van beide kanten zaten we al gauw op een lijn.

Het bovenstaande kan wat omslachtig lijken om aan te geven dat het niet moeilijk voor ons was om te bepalen wat we met het Camembert-doosje zouden moeten doen. Het 120 jaar oude, zeer kwetsbare doosje hoort bij het huis, vonden we en we waren er zeker van dat de nieuwe bewoners er goed op zouden passen. Toch wilden we hen niet met de erfenis van het onopgeloste raadsel van het Camembertdoosje opzadelen. Was het echt niet mogelijk achter de identiteit van Mr. Goudier te komen?
Eigenlijk was ik al sinds 31 juli 2016 met die vraag bezig, precies 120 jaar nadat een zekere GOUDIER, ‘masson’, zoals hij schreef, uit Chaumard, zijn woorden met potlood op de binnenkant van het kaasdoosje genoteerd had en in de muur verstopt. Ik las mijn eerste bijdrage er nog eens op na en weer viel ik over de zin: ‘Deze missie leverde jammer genoeg niets op.’ Ik vroeg me af wat daarvan eigenlijk de reden was geweest. Was ik die vergeten? Omdat het moeilijk was om 34 jaar in de tijd terug te gaan (ik had het doosje gevonden op 6 april 1982) moest het op een andere manier gebeuren.
Ik was destijds door de oude Mme. Elise Léger op het spoor gezet van een familie die in Courgermain, even ten oosten van Les Quatre Vents, zou wonen, maar mijn navraag daar was op niets uitgelopen, zoals gezegd. Internet bestond nog niet.
Nu er, bijna veertig jaar later, allerlei genealogische websites bestaan, zou het toch mogelijk moeten zijn meer over deze metselaar te weten te komen. Ten aanzien van de vorige bewoners van ons huis had ik dat, met behulp van het kadaster, al eens eerder gedaan.

Ik raadpleegde de site GENEANET en bemerkte al gauw dat de Goudiers in de omgeving niet dik gezaaid waren. Ik vond een zekere LAURENT GOUDIER, die op 14 oktober 1891 in Chaumard geboren was. Hij kon het doosje niet geplaatst hebben, tenminste niet als metselaar, omdat hij in juli 1896 nog maar vier jaar oud was. Hij was in getrouwd met PHILOMENE JEANNE COPPIN, in 1896 geboren in Chaumard. Laurent overleed op 6 april 1964 in Chaumard, 72 jaar oud; Philomène was al in 1947, 51 jaar oud, overleden.
Laurent had overigens ook nog een broer: Theophile Aimé Goudier, geboren in 1899, overleden in 1940.
img_0713Het was niet moeilijk de ouders van Laurent op te sporen. Zijn vader was JEAN BAPTISTE GOUDIER. Hij werd op 27 februari 1859 in Sully-sur-Loire geboren. Dat was een eind uit de buurt, in elk geval te ver weg om in Les Quatre Vents een ‘Zwaluwnestje’ te gaan bouwen (zo noemen wij immers de aanbouw aan ons huis), ware het niet dat hij op een gegeven moment in Chaumard met PHILIPPINE JEANNE CAS trouwde, die op 30 april 1868 in Chaumard was geboren. De overlijdensdata werden niet vermeld.
Dit gegeven bracht Jean Bap. dus een heel stuk dichter bij. Het zou in principe mogelijk zijn dat hij het was die het Camembertdoosje had ingemetseld. Op dat moment was hij 37 jaar oud. Geen gekke gedachte.
Maar… wat nu? Wat moesten we met deze veronderstelling. Nergens werd duidelijk dat hij metselaar was. Misschien maakten we onszelf maar wat wijs.

camembert-doosjeIn de loop der tijd  hadden we al eens meer in Les Quatre Vents en naaste omgeving de naam GOUDIER laten vallen, maar nergens ging er een belletje rinkelen. We zouden er waarschijnlijk nooit achter komen. Toch wilden we onszelf, aan het eind van ons lange verblijf in Les Quatre Vents, een laatste kans geven. Op aanraden van Jean François Gabin, een vroegere buurman uit het dorp, die we weer eens bij onze buurvrouw Mme. Paquita Bonnet ontmoetten, maakten we een afspraak met Jean Luc Renaud uit l’Huis Maillot, enkele kilometers ten westen van Les Quatre Vents. We kenden hem vanuit de beginperiode, ontmoetten hem vaak op de gezamenlijke maaltijden die van tijd tot tijd in het voormalige schoolgebouw in Chaumard gehouden werden, maar hadden nooit met hem over gebeurtenissen uit het dorp of de streek gesproken. Ik belde hem op en op 3 oktober 2016 zat hij bij ons aan tafel. We spraken over allerlei zaken, onder andere over de betreurenswaardige geschiedenis rond het verraad in de laatste oorlogsdagen, waarbij 24 leden van de Maquis (het ondergrondse verzet) werden gedood en 4 gevangen genomen (31 juli 1944, om half zes in de ochtend, kort voordat de oorlog was afgelopen). De bewoners van ons huis zouden in dat verraad een dubieuze rol hebben gespeeld. Over die rol hadden we in de loop der tijd de meest uiteenlopende geruchten vernomen. Het was moeilijk daar een eensluidend beeld van te krijgen. Het voorval was met geheimzinnigheid omhuld, maar dit alles terzijde.
Jean Luc was geïnteresseerd in de gegevens op het kaasdoosje en vertelde dat er in Courgermain een oude dame woonde, Simone Marie, die met een zekere Goudier getrouwd was geweest. Die zou er misschien meer van weten. Was het spoor dat Mme. Elise Léger indertijd uitgezet had, dan toch goed geweest? Hij zou een afspraak maken om er eens met z’n drieën naar toe te gaan. Bij het weggaan nodigde hij ons uit voor een tegenbezoek, drie dagen later.

Op 6 oktober schoven we dus bij Jean Luc aan tafel, nadat hij ons enkele interessante zaken in zijn grote kamer had laten zien. Het gesprek van eerder die week werd voortgezet. Het was een levendig gesprek, ook al omdat hij foto’s van zijn grootouders liet zien, die daar indertijd woonden. Na verloop van tijd vroegen we hem of hij al met Mme. Marie in Courgermain contact had opgenomen. Dat was niet het geval, zoals we al vermoedden, anders had hij het er wel over gehad. Hij pakte zijn telefoon en belde haar. Hij kreeg geen gehoor en sprak een boodschap in. Een half uurtje later belde ze terug. Jean Luc vertelde in het kort iets over onze zoektocht en aan zijn gezicht konden we zien dat hij beet had. Het klopte precies, zoals wij het ons hadden voorgesteld. Haar vader was Laurent Goudier, smid in Courgermain, haar grootvader was Jean Baptiste Goudier, metselaar, die, zoals hij begreep van oorsprong niet uit de Morvan kwam, maar uit het departement Creuse, waar veel metselaars vandaan kwamen. Jean Bapiste raakte verzeild in Chaumard, waar hij onder andere het immense schoolgebouw bouwde. Ook werd hij verliefd en trouwde met een meisje uit het dorp. Hij bouwde verschillende huizen in Chaumard en omgeving. Er was dus geen twijfel over mogelijk dat hij het was die ons ‘Zwaluwnestje’ had gebouwd. Ze was bereid om er eens met ons over te praten, al had ze niet veel te vertellen, zoals ze zei. Omdat we op dit moment weinig tijd hadden, spraken we met Jean Luc af om in november samen met hem naar haar toe te gaan.

Eindelijk was de cirkel rond en wisten we wat we wilden weten. De Mr. Goudier die we zochten was dus Jean Baptiste, de grootvader van een vrouw die nog leefde. Volgens Jean Luc moest ze al ver in de tachtig zijn. Toch wisten we natuurlijk nog niet alles. Het zou prachtig zijn als ze foto’s kon laten zien en met aanvullende informatie op de proppen kwam.
Omdat ik via de genealogische website wist dat Jean Baptiste in Sully geboren was, probeerde ik die plaats op een gedetailleerde  Michelinkaart van Frankrijk te traceren. Er bleken vijf plaatsen met dezelfde naam te zijn, maar niet in la Creuse. Naar ons gevoel kwamen het meest in aanmerking: Sully-la Chapelle en Sully-sur-Loire, de laatste een grotere plaats aan de Loire, zo ongeveer tussen Orleans en Gien. Ruim honderd kilometer hier vandaan.
Twee dagen later namen we het besluit niet tot november te wachten (‘wie weet leeft ze dan niet meer’). Dan maar zonder Jean Luc; waarom ook niet. Ik vond haar nummer in de telefoongids en belde haar op zaterdag 8 oktober tegen twaalf uur. Ze nam op, vernam waarom we belden en zei: ‘Even wachten, de bakker komt er aan’. Het wachten duurde lang, we kenden de bakker. Ik verbrak de verbinding, hoorde een minuut of tien later de claxon van dezelfde bakker ons dorp Les Quatre Vents binnenrijden, kocht een brood en belde opnieuw. Ze ging ermee akkoord nog die middag bij haar langs te komen – ‘niet voor drie uur’, maar dat waren we ook niet van plan.
Om vier uur reden we Courgemain binnen. Af en toe maakten we daar wel eens een wandeling. We zagen de oude smederij, met de ‘travaille’ ervoor, waar de ossen indertijd werden beslagen. Boven de werkplaats was een woning gebouwd. Vitrages voor de ramen, de deur stond op een kier. We riepen, maar er kwam geen reactie. Daarna liepen we de beide trappen op. We begrepen dat haar gang naar de bakker aan de weg toch wel enige tijd in beslag nam. We tikten op het raam. Na enige tijd hoorden we: ‘Entrez’. We gingen naar binnen en begroetten de oude vrouw die op ons toe kwam lopen. We herkenden haar onmiddellijk en zij ons. Ook zij was vaak bij de maaltijden in Chaumard aanwezig en stond dan meestal in de keuken. Een vreemde gewaarwording: de vrouw die we zochten bleek gewoon tot het ‘bestand’ van de mensen die we hier kenden te behoren.

Het is moeilijk het gesprek, dat zeker twee uur duurde, volledig weer te geven. Erg veel aspecten van haar lange leven passeerden de revue, maar er was één probleem. Ze had weinig zin om over het verleden te praten; er was teveel gebeurd. We moesten naar de toekomst kijken. Dat deed zij ook door te genieten van haar klein- en achterkleinkinderen. Vol enthousiasme liet ze de  foto’s zien van een familiebijeenkomst deze zomer in Chaumard. Brachten we het gesprek weer op het verleden, dan ging ze wel even mee, maar als het over niet meer in leven zijnde familieleden ging, werd ze emotioneel en stopte ze haar verhaal.
We kwamen te weten dat ze in 1930 in Courgermain geboren was. Ze was dus 86 jaar. Ze had drie kinderen. Haar man, Constant Marie, was sinds lang, in 1986, overleden. Ze waren toen beiden 56 jaar oud geweest. Over hem kregen we niet veel te horen.
Haar vader was LAURENT GOUDIER. Hij was smid en bouwde in 1920 zijn ‘travaille’. Tien jaar later werd Simone geboren. Zij ging in Chaumard naar school, dagelijks te voet door de bossen en langs de Fontaine St. Pierre, die wij zo goed kennen, later op de fiets (met haar nichtje, die in het huis van Serge Touzeau aan het begin van Les quatre Vents woonde). Vanwege familieomstandigheden hoefde zij de school niet tot haar 14e af te maken en verliet ze op haar 13e de school. Ze ging werken bij de couturière, aan het eind van het dorp Courgermain. Dat was dus in 1943. Het kan zijn dat haar moeder ziekelijk was. Zij overleed in 1947, op 51 jarige leeftijd. Simone was toen 17 jaar, maar ze wilde er niet over praten.
Ook wilde ze desgevraagd niet over de broer van haar vader praten: Theophile Aimé Goudier, die gewoon Aimé Goudier heette. Hij was geboren in 1899 en overleden in 1940, 41 jaar dus. Simone was toen 10. Op de vraag of hij getrouwd was, reageerde ze niet. Wel liet ze los dat hij in Chaumard gewoond had en daar zijn beroep van cordonnier uitoefende in het huis achter de kerk, waar nu Marie France woont. Een interessant gegeven: cordonnier, omdat in ons ‘Zwaluwnestje’ ook een cordonnier zou hebben gewoond. Simone wist daar echter niets over te vertellen.
grafsteenUiteindelijk kwamen we op haar grootvader JEAN BAPTISTE GOUDIER, die werkelijk uit Sully-sur-Loire kwam (het Creuse-verhaal van Jean Luc was dus op niets gebaseerd). Behalve de school had hij diverse huizen in Chaumard en omgeving gebouwd, o.a. het huis waar zijn broer later woonde, het grote huis tegenover de crêperie en de smederij in Courgermain. Hij en zijn vrouw PHILIPPINE JEANNE CAS werden op het kerkhof in Chaumard begraven (hij in 1938, zij in 1930), vrij vooraan, vlak bij de graven van de gefusilleerde leden van de Maquis, zoals ze zei. ‘Er staat JEAN GOUDIER op de zerk, geen Jean Baptiste, ‘zei ze nog. Simone had haar grootvader dus nog gekend. Hij stierf toen zij acht jaar oud was. Ik durfde niet naar haar herinneringen te vragen. Haar grootmoeder was in hetzelfde jaar gestorven als waarin Simone was geboren.
Zoals gezegd had Mme. Simone Maire-Goudier weinig zin om over dit soort dingen te praten. Ik begreep nu ook waarom mijn poging indertijd in 1982 op niets was uitgelopen. Om ons niet helemaal teleur te stellen liet ze met mondjesmaat iets los. Al gauw merkte ze op dat ze wel wilde praten over een gebeurtenis die met ons huis te maken had, maar eerst moesten de andere dingen besproken zijn. We hadden natuurlijk een vermoeden en toen het later nog een keer naar voren kwam, vroeg ik: ‘Bedoelt u het verraad in de oorlog? De Maquis?’ Ze beaamde dat en werd erg emotioneel en boos toen ze vertelde dat Mr. Belier, die toen in ons huis woonde, de hele zaak verraden had. Hij had via lichtsignalen contact met de Duitsers in Château Chinon (ons mooie uitzicht had dus ook nog een andere lugubere kant, bedacht ik met afgrijzen). Hij stond in de vroege ochtend in Chaumard klaar om de Duitsers de weg naar het bos te wijzen, waar de Maquis verscholen zat. Het was verschrikkelijk. Ze dacht dat hij later ook gezeten had, maar zeker was ze er niet van. Voor ons de zoveelste lezing van deze moordpartij. Wie moesten we nog geloven?
Tot slot maakte ik wat foto’s van haar. Ook fotografeerde ik de smederij en de ‘travaille’.

Omdat Mme. Simone Marie aangegeven had dat de meeste van haar familieleden op het kerkhof in Chaumard begraven lagen, besloten we daar zo spoedig mogelijk naar toe te gaan. We waren ons bewust een wel zeer intensief weekend te zijn ingegaan. De volgende dag, 9 oktober, zouden de toekomstige kopers van ons huis langskomen om nog het een en ander door te nemen en ergens wat te gaan eten. Ook wilden we hen enkele voor ons markante plekken van de omgeving laten zien. Een dag later, de 10e van de 10e, om 10 uur, hadden we met z’n vieren een afspraak met de notaris in Château Chinon en zou de acte passeren.
Op 10 oktober 2016 was ons huis en dus ook het Camembertdoosje in andere handen overgegaan. Zoals afgesproken hoefden we nog niet meteen afscheid te nemen, maar kregen we het beheer tot en met 31 mei 2017. Na het bezoek aan de notaris en na afscheid van de nieuwe eigenaars genomen te hebben, reden we terug naar Les Quatre Vents, maar niet nadat we een bezoek aan het kerkhof hadden gebracht.
De beide graven waren snel gevonden: een familiegraf en het graf van onze metselaar Jean Baptiste Goudier, of zoals op gebeiteld staat: “JEAN GOUDIER, 1859-1938″.  Zijn vrouw Philippine Jeanne Cas, was er al eerder begraven: “JEANNE CAS, femme GOUDIER, 22 mars 1930, 61 ans.”
Kwamen we via zijn kleindochter niet te weten hoe Mr. Goudier eruit zag, omdat we geen foto van hem te zien kregen te, de beeltenis van zijn vrouw zagen we tot onze verrassing wel. Bovenaan de steen prijkt haar zwart-witportretje. Curieus!

auteur: Siep Kooi

  • Bekeken1002